De vlieger
Treden sla ik over. Vliegen doe ik, ik grijp de stang en zweef de bocht door. Ik daag me uit en spring in één keer de trap af. Het zijn acht treden.
Ik ga naar het souterrain waar de schuur is. Het is de gang van de hel beeld ik me in.
Ik schuifel in het pikkedonker van deur naar deur.
Met mijn vingers volg ik de stenen en het voegsel van de wand.
Ik open de deur van de schuur en zoek mijn vlieger.
Een nutteloos cadeau zou mijn vader zeggen. Voor mij een zeer nuttig cadeau.
Ik neem de klos touw ook mee. Er zit wel zeker 50 meter op.
Snel ren ik naar buiten, passeer de speelplaats en schop tegen een uitgebloeide paardenbloem die uit elkaar spat in duizenden kleine vliegertjes. Ik ren naar het brakke terrein vlak naast het spoor van Bussum Zuid. Het waait en de wind neemt de blauwe vlieger mee. Ik laat het touw langzaam vieren. Niet te ver anders komt hij in de bovenleiding van het spoor.
Ik kom hier vaak. In een rijtje legde ik oude spijkers op de rails. Dat werden zeer scherpe mesjes als de trein zijn werk had gedaan. Eerst je hoofd op de rails om te horen of er een trein aankwam.
Ik stuur een klein papiertje naar de vlieger, vol ongeloof kijk ik hoe mijn boodschap de vlieger bereikt. Er staat niks op het papiertje. Wie zou ik moeten schrijven?
Ik wacht op een bericht van boven. Iemand die het zinnig vindt om iets aan mij te schrijven.
De vlieger maakt scherpe bochten naar links en rechts. Met kleine rukjes weet ik de vlieger te laten stijgen.
Verderop loopt een vrouw met twee nog vrij jonge herdershonden. De honden vermaken zich prima, maar ineens krijgen ze mij in de gaten. Blijf… schreeuwt de vrouw tevergeefs. De honden rennen op me af. Ik maak me klein in de hoop dat deze wilde dieren mij zullen negeren. Mij zullen vergeten. Ik ben zo vreselijk bang voor honden.
Helaas, de honden springen bovenop me en ik laat uit angst mijn vlieger los die dwarrelt bovenop de bovenleiding.
De vrouw komt aangerend en door mijn vingers heen zie ik hoe ze rukt en trekt aan de honden die me uiteindelijk met rust laten.
Ik kijk naar mijn vlieger. Zielig hangt hij aan de bovenleiding.
Ik zie de vieze pootafdrukken op mijn kleding en de krassen op mijn blote benen.
De vrouw vraagt of het goed gaat. Ik zeg niets, het liefst huil ik, schreeuw ik, sla ik, maar ik doe niks. Ik ren huilend en van binnen schreeuwend weg. Met elke stap duw ik de hondenkoppen dieper de grond in. Ik loop naar de afgravingen waar kleine heuvels begroeid lijken met droog helmgras.
Boven op een bergje gooi ik brandende lucifers op de grond. Om me heen bijten de vlammen zich een weg naar mijn schoenen, mijn blote benen.
De hele heuvel brandt. Ik spring over de vlammen en ren weg. Na honderd meter kijk ik om en zie dat echt alles brandt. In de verte zie ik de vrouw met de twee honden. Diep van binnen is er een stil verlangen dat de vrouw met honden deze hel zou toewensen.
Blijf! Zou ik haar en haar honden toe schreeuwen. In een vuurzee zouden ze moeten boeten voor hun zinloze aanval.
In de verte hoor ik de sirene van de brandweer.
Ik loop naar huis en storm de zes trappen op. Mijn moeder doet open. Vanaf het balkon zie ik hoe het vuur al weer snel gedoofd wordt door de Bussumse brandweer.